Boeken – Christus en mens – Motief 234 juli-augustus 2019

Christus en het lot van de mens

Tekst: Jaap van Waning

 

Bespreking van Wolf-Ulrich Klünker, Christus en het lot van de mens. Aanzet tot een christologische menskunde.

De inleiding begint met een citaat van Alanus ab Insulis, eind twaalfde eeuw: ‘Overgeleverd is dat het geloof in de toekomst overbodig is en dat zijn opvolging de wetenschap zal zijn, dus zekere kennis. Zo zal er een ander begrijpen zijn dan het huidige, raadselachtige.’

Deze woorden, aldus Klünker, laten ‘een ontwikkelingsperspectief vermoeden dat als een innerlijk licht in de ziel kan schijnen. Interessant daarbij is dat zij in staat zijn een geluksgevoel en een zeker vertrouwen te bewerkstelligen.’

Met dit boek wordt een begin gemaakt een christologische menskunde te ontwikkelen. Behalve van het Nieuwe Testament maakt de auteur ook gebruik van andere bronnen, zoals de bovengenoemde Alanus, van de kerkvader Origines, van geschriften die in 1945 in Egypte gevonden zijn, zoals het Filippus-evangelie. In het laatste staat de uitspraak: ‘Als een blinde en een ziende in het donker zijn, onderscheiden beiden zich niet van elkaar. Als het licht komt dan zal de ziende het licht zien en de blinde zal in het donker blijven.’ Klünker schrijft, vanuit zijn antroposofische achtergrond: ‘Sommige teksten beginnen te spreken als hadden ze erop gewacht in een nieuw perspectief te kunnen verschijnen.’

In het begin van het eerste hoofdstuk, Mens en engel, wordt het beeld opgeroepen van het bad Bethesda (Johannes 5), waar zieke mensen het ogenblik afwachten dat een engel het water beweegt. Wie dan als eerste het water bereikt, wordt gezond. Een man die al bijna vier decennia ziek was, is dat tot nu toe niet gelukt. Jezus Christus verschijnt, hoort van zijn lot en vraagt hem: ‘Wil je gezond worden?’ De zieke antwoordt dat er geen mens is die hem bij de beweging van het water naar het bad draagt, altijd is iemand hem voor. Jezus Christus zegt daarop: ‘Neem je bed op en wandel.’ Dat doet hij dan.

Thomas van Aquino vraagt zich af waarom Christus deze vraag aan de man stelt. Het is toch duidelijk dat deze zieke gezond wil worden. Het antwoord van Thomas is dat Christus door deze vraag de wil van de zieke mens aanspreekt en dat deze daardoor bemoedigd een ontwikkelingsproces kan beginnen.

Dit zijn de twee lijnen in het boek: de ontwikkeling van een christelijke menskunde en het beter worden van de mens. Dit laatste ligt in het verlengde van het eerste. Immers, de menswording van Christus heeft het begrip mens tot een krachtbron gemaakt. In de Middeleeuwse en oudere bronnen waar de auteur van uitgaat, en waarin hij gezien eerdere publicaties in thuis is, was men zich van die kracht meer dan nu bewust: dat begrippen die betrekking hebben op wezenlijke zaken de kracht van het wezenlijke vertegenwoordigen en niet alleen maar namen zijn voor wat dan verder schimmig blijft.

Deze laatste opvatting, het nominalisme, is in onze cultuur de overheersende geworden. In een nieuwe wetenschap van de mens moeten krachtige begrippen ontwikkeld worden. Het besef bijvoorbeeld dat in de pogingen jezelf beter te leren kennen Christus aanwezig is.

Rudolf Steiner heeft enkele malen op het belang gewezen van Aristoteles voor een nieuwe menskunde. In het werk van Aristoteles immers komt het wetenschappelijke denken, dat bij Plato nog een afspiegeling is van de bovenzinnelijke werkelijkheid, voor het eerst op aarde. In de Middeleeuwen is intensief gewerkt aan het begrijpen ervan. En die interpretaties kunnen voor onze tijd vruchtbaar zijn omdat ze nog doortrokken zijn van een besef dat een wetenschap van de mens kosmisch-geestelijk georiënteerd is. Zo ontwikkelt Thomas van Aquino uit het werk Over de ziel van Aristoteles het begrip van de mens. Gaat dit begrip, dit begrijpen, dit zelf-verstaan verloren, aldus Thomas, dan gaat de mens verloren. Ook ziekte en gezondheid zijn in hoge mate afhankelijk van de kracht waarmee ik als mens mijn menszijn begrijp.

Na lezing van dit boek kwam de vraag bij mij op: hoezo noemt Klünker zijn studie ‘een aanzet tot een christologische menskunde’? We hebben toch de antroposofie die Rudolf Steiner ‘een geesteswetenschap’ noemde? Wat is de antroposofie van Rudolf Steiner anders dan een christologische menskunde?

En kort daarna valt Das Goetheanum van 8 maart 2019 op de deurmat met een artikel ‘Mehr Anthroposophie!’ en als ondertitel: ‘Die Wissenschaftsform der Anthroposophie stärken’, waarin aan Jost Schieren, een gepromoveerde pedagoog-filosoof, over dit onderwerp vragen worden gesteld. Hij stelt onder meer (ik vertaal): ‘Omdat het wetenschappelijk karakter van antroposofie niet echt ontwikkeld is, maar de gevoelskant en de werkgebieden vooral ontwikkeld zijn, is er een soort vacuüm ontstaan. De levensgebieden zijn sterk geworden en de antroposofie zelf zwak. Dat is een grote uitdaging.’

Klünker is een van degenen die op deze uitdaging ingaat.

Wolf-Ulrich Klünker, Christus en het lot van de mens. Aanzet tot een christologische menskunde. Adventum (Nearchus) 2018, 161 p. Uit het Duits vertaald door Carla van Dijk, Huub Houben, Jan Klaassen en Erna Trouw.

Deze recensie werd oorspronkelijk geschreven voor de Nieuwsbrief van 2 mei 2019 aan de leden van de Antroposofische Bibliotheek in Zutphen. Deze Nieuwsbrief verschijnt 2x per jaar.