Boeken – vrijeschool – Motief 234 juli-augustus 2019

De wordende mens en de vrijeschool

Tekst: Ton Huijbregts

 

Bespreking van Rudolf Steiner, De wordende mens. Aard en doel van het Waldorf-onderwijs

De laatste keer dat Steiner in het openbaar uitvoerig over de Waldorf-pedagogie in Stuttgart spreekt, is één van de centrale thema’s de zelfopvoeding van de leerkracht. Er zitten ongeveer 1700 (!) mensen in de zaal, in een groot theaterachtig gebouw in Stuttgart. Voor dit publiek houdt hij vijf voordrachten in vier dagen. Een nieuwe uitgave van alles wat hij daar aan het publiek heeft voorgelegd ligt nu vertaald in de boekhandel.

Kinderen opvoeden is altijd zelfopvoeding, maar niet alleen van het eigen zelf, want ook het kind wordt daardoor opgevoed. Dat volgt uit de manier waarop het kind zich ontwikkelt door de levensfasen heen. Aanvankelijk vormen lichaam, ziel en geest nog een volkomen geheel bij het kleine kind. Daardoor reageert het kind alsof het een en al zintuig is: het is geheel en al open voor wat vanuit de wereld binnenkomt, en kan zich daar niet tegen keren. Alles wordt binnengelaten en reflexmatig direct verwerkt. Het is alsof er een zenuw bloot ligt, alsof er zich nieuwe huid gevormd heeft op een verwonding. Elke indruk, hoe licht deze ook moge zijn, heeft een uitvergroot effect op het totale wezen van het kind. Het jonge kind is nog zo fijngevoelig dat het zelfs de gedachten kan ervaren die aan onze gebaren ten grondslag liggen. Door het sterk nabootsende karakter van het kind kan dit gevolgen hebben voor zijn fysiek-etherische ontwikkeling op latere leeftijd.

Zo kan het dan tot wisselwerkingen komen die op latere leeftijd de basis kunnen vormen voor ziektebeelden. Het boek is een oproep aan de pedagoog om aan zichzelf te werken, bijvoorbeeld om een eenzijdig temperament om te werken. Wij moeten ons er voortdurend van bewust zijn dat we niet alleen lesgeven aan kinderen, maar bovenal dat we actief vormend bezig zijn, door de manier waarop we bewegen, spreken, gebaren maken en ons verder uiten. Elke al dan niet bewuste handeling van de leraar is een gebeurtenis voor het kind, die zich indrukt in zijn ontwikkelingsweg. Wat voor mens je bent heeft de grootste invloed op het kind, daar mag men niet onverschillig tegenover staan.

Wij moeten ons daarom verdiepen in wat ons gezondmakend met het kind kan verbinden. Boetseren, kunstzinnige vorming, muziek beoefenen en spraak: wegen om een toegang te kunnen vinden voor de vraag die elke dag weer voor ons ontwaakt: ‘Hoe vind ik de weg tot het opgroeiende kind in deze leeftijdsfase? Hoe word ik een wezenlijk, stimulerend onderdeel van zijn leefwereld?’ Zoals we moeten leren lezen in het boek der natuur, dat wil zeggen dat we de wereld in haar samenhang moeten kunnen ervaren, zo dienen we ook te leren lezen in de individuele mens. Elk kind dat voor je staat, iedere ochtend weer, is als een boek dat gelezen kan worden en zo de verborgen samenhangen kan tonen. Zolang wij in vrijheid op ons nemen om dat daadwerkelijk te doen, leren we ook om te lezen in het resultaat van ons eigen pedagogisch handelen.

Na afloop van Steiners laatste voordracht kwam het applaus langdurig niet tot bedaren.

Rudolf Steiner, De wordende mens. Aard en doel van het Waldorf-onderwijs. Vijf voordrachten gehouden van 8 tot en met 11 april 1924 te Stuttgart. Uitgeverij Pentagon, Amsterdam. ISBN 978-94-92462-29-9. 160 p. € 22,50