Vereniging en Gesellschaft – Motief 234 juli-augustus 2019

Kanttekening bij Anthroposophische Gesellschaft – Een schone slaapster?

Tekst: Michiel ter Horst

 

In Motief 232 heeft Aart Klein de reeds lang bestaande veronderstelling dat de Allgemeine Anthroposophische Gesellschaft een ander wezen zou zijn dan de Anthroposophische Gesellschaft – het eerste exoterisch en het laatste esoterisch – op sympathieke wijze samengevat. Maar dit neemt niet weg dat aan zijn betoog enkele wezenlijke bouwstenen ontbreken.

Allereerst de titel van het programma in de uitnodiging voor de Weihnachtstagung 1923: Gründungs-versammlung der Internationalen Anthroposophischen Gesellschaft, Dornach, Weihnachten 1923 (GA260, Dornach 1994, p.28-29). Maar Rudolf Steiner nam direct afstand van deze titel! Reeds in de eerste zin van zijn begroeting van de aanwezigen kondigt hij aan dat hij de Weihnachtstagung opent als oprichtingsvergadering van de Allgemeine Anthroposophische Gesellschaft (p.30). Even later volgt zijn openingsvoordracht waarin hij duidelijk maakt dat het hem te doen is om de verbondenheid van de circa achthonderd aanwezigen en de mensen die later nog lid zullen worden. Die verbondenheid noemt hij afwisselend Gesellschaft, Anthroposophische Gesellschaft, Allgemeine Anthroposophische Gesellschaft. Dat hij deze namen door elkaar gebruikt blijkt telkens opnieuw.

Kijk bijvoorbeeld hoe hij art. 11 van de statuten bespreekt. Titel en tekst van de statuten gebruiken telkens de naam Anthroposophische Gesellschaft, ook in art. 11. Maar in zijn mondelinge toelichting van dit artikel noemt hij deze Gesellschaft expliciet Allgemeine Anthroposophische Gesellschaft. Vlak voordat hij de Statuten in eerste lezing in stemming zal brengen, schetst hij een tekening met in zijn handschrift Allg. Anth. Ges. als drager van de secties en klassen van de Hochschule (p.112-113 en p.222). Dan kondigt hij de statuten uitdrukkelijk aan als Statuten der Allgemeine Anthroposophische Gesellschaft (p.115), ook al begint art. 1 met de naam Die Anthroposophische Gesellschaft. En in zijn afscheidswoord aan het slot van de Weihnachtstagung noemt hij deze expliciet Tagung zur Begründung der Allgemeine Anthroposophische Gesellschaft (p.279), ook al gebruikte hij in de statuten en mondeling tijdens de Tagung vrijwel doorlopend kortweg de naam Anthroposophische Gesellschaft. Hij gebruikte de namen AG en AAG zonder meer als synoniemen.

Vervolgens ontbreekt bij Aart Klein de reden waarom de statuten die in de Weihnachtstagung behandeld en aangenomen waren niet in het Handelsregister konden worden ingeschreven. Ik wil hier voorbijgaan aan het simpele feit dat men op 8 februari 1925 de bouwvereniging heeft omgevormd in de Allgemeine Anthroposophische Gesellschaft, dit om te voldoen aan Rudolf Steiners wens dat de Gesellschaft eigenaar van het Goetheanum zou zijn, waarbij men echter de kostbare juridische overdracht van terrein en gebouwen met de bijbehorende forse aanslag voor overdrachtsbelasting wilde vermijden (juridisch verdiende het geen schoonheidsprijs dat de leden van de Gesellschaft bij de omvorming van de bouwvereniging pardoes werden ingeschreven als leden van deze vereniging in zijn nieuwe gedaante, maar het is nu eenmaal gebeurd en door de praktijk bevestigd, al zijn er altijd leden geweest die deze juridische onvolkomenheid niet wilden accepteren).

Nee, de reden dat de statuten in de vastgestelde vorm niet konden worden ingeschreven zit veel dieper. In feite was het probleem dat Rudolf Steiner zijn tijd honderd jaar vooruit was! Dit treedt telkens aan het licht waar hij het mondiale karakter van de Gesellschaft benadrukt. De samenwerking tussen 45 staten in de Volkerenbond gold na de Eerste Wereldoorlog als toppunt van mondiaal bewustzijn. Het was een organisatie tussen naties, dus inter-nationaal. Rudolf Steiner wilde precies dat vermijden. Hij dacht veel principiëler mondiaal. Weliswaar bestond Global thinking nog niet als begrip, maar toch trachtte Rudolf Steiner de Gesellschaft  met diverse uitdrukkingen een mondiaal karakter te geven.

‘Diese Anthroposophische Gesellschaft’, zegt hij, ‘hat schon mancherlei Bezeichnungen gefunden. So zum Beispiel hat sie die Bezeichnung gefunden: «Internationale Anthroposophische Gesellschaft». Nun, meine lieben Freunde, sie soll nicht eine internationale, sie soll nicht eine nationale Gesellschaft sein, und ich möchte hier die herzliche Bitte aussprechen, das Wort «Internationale Gesellschaft» niemals zu gebrauchen, sondern nur davon zu sprechen, daß es eine «Allgemeine Anthroposophische Gesellschaft» gibt, die ihren Mittelpunkt haben will hier am Goetheanum in Dornach’ (p.41). Met nadruk zegt hij ‘Die muss eine wirkliche Weltgesellschaft sein’ (p.40 en p.112). En: ‘Sie muss eine Gesinnungsgesellschaft, keine Statutengesellschaft sein.’

De leden hebben in de verschillende landen groepen gevormd, met eigen statuten. Maar voor de Allgemeine Gesellschaft zijn dit enkel groepen, zegt hij kortweg (p.53). Dit wordt nog verduidelijkt waar het gaat over de verhouding tussen de AAG en de Schweizerische Anthroposophische Gesellschaft (p.169-174 en 227-231). En waar iemand een vraag stelt over de antroposofen in Honululu zegt Rudolf Steiner: ‘Honululu gehört zu der Allgemeinen Anthroposophischen Gesellschaft’ (p.174). Met andere woorden, de landelijke verenigingen zijn groepen van de mondiale AAG. Dat is Global thinking avant la lettre.

Er bestond in de tijd van Steiner nog geen enkele vorm van mondiaal geldend recht. De eerste bouwsteen daarvoor is pas gelegd in 1948, met de Universele Verklaring van de Rechten van de mens. De daarin vastgelegde mensenrechten zijn overal op aarde geldig, niet alleen voor staten, maar ook voor ‘organen’ (bijvoorbeeld bedrijven) en individuen. De Rechten van de Mens zijn een product van global thinking. Maar dat is in het recht een zeldzaam gegeven. Een wereldwijd geldig verenigingsrecht bestaat niet, heeft ook nooit bestaan. Daarom kon Rudolf Steiners Weltverein niet ingeschreven worden in het Handelsregister in Dornach.

Ruim een jaar na de oprichtingsvergadering waren de leden van de Gesellschaft nog steeds niet ingeschreven in een officieel register. Ergens moesten zij toch worden ingeschreven. Een register voor boven-nationale wereldverenigingen bestond niet en bestaat ook nu nog niet. De Gesellschaft moest zich behelpen met een noodoplossing naar Zwitsers recht en die vond men door de Gesellschaft te incorporeren in de bouwvereniging, die reeds eigenaar was van het Goetheanum, waarbij universeel bedoelde statuten, die niet pasten in het Zwitserse verenigingsrecht, als noodoplossing de naam Prinzipien kregen.

Hebben wij in onze tijd het wereldwijd-universele karakter van de Allgemeinen Anthroposophischen Gesellschaft nog voldoende in het bewustzijn? Om nogmaals Rudolf Steiner te citeren: ‘Die Allgemeine Gesellschaft ist weder international noch national, sie ist allgemein menschlich’ (p.53).