Vereniging en leden – Motief 234 juli-augustus 2019

Gewone leden en actieve leden in de Antroposofische Vereniging

Tekst: Jan J.C. Saal

 

Ik was lid van de werkgroep van de sociale sectie, die onderzoek heeft gedaan naar de gang van zaken rond de besluitvorming bij de aankoop van het pand in de Riouwstraat in Den Haag. Tijdens ons onderzoek liepen we er tegenaan dat Rudolf Steiner bij de oprichting van de Antroposofische Vereniging bepaalde zaken voor ogen had, die in de praktijk eigenlijk niet worden nageleefd. Tijdens ons onderzoek bleek ook dat de leden die wij daarnaar vroegen eigenlijk geen weet hadden van die uitgangspunten, waardoor het ook logisch is dat ze niet worden nageleefd. In ons eindverslag van het onderzoek hebben we dit beschreven. Dit eindverslag is openbaar en is op te vragen (als pdf) bij het secretariaat van de vereniging.

Naar aanleiding van de gesprekken die wij over het eindverslag hebben gevoerd, heb ik het initiatief genomen om het onderstaande te schrijven over het onderwerp gewone leden-actieve leden, zodat daarover meer bekend kan worden in bredere kring.

De belangrijkste doelstelling van de Antroposofische Vereniging is om mensen in de gelegenheid te stellen om kennis te nemen van wat de antroposofie te brengen heeft. Dit klinkt eenvoudiger dan het is, omdat de antroposofie niet alleen als kennis is op te nemen. Antroposofie opnemen wil in feite zeggen dat iemand een ontwikkelingsweg gaat, waarin zijn of haar bewustzijn over het ‘mens zijn’ steeds verder zal groeien. Deze ontwikkelingsweg kan alleen in vrijheid worden gegaan. Dat heeft tot gevolg dat de persoonlijke vrijheid van de leden voorop moet staan bij de vormgeving van de vereniging.

Dat is een uitdaging, omdat persoonlijke vrijheid niet betekent: vrijblijvendheid. Het betekent dat mensen in vrijheid moeten kunnen kiezen welke verplichtingen zij op zich nemen. Daarbij mag dus op geen enkele manier dwang aanwezig zijn. Dat zijn we in de huidige tijd niet zo gewend. We worden opgevoed met rechten en plichten, maar niet met de vrijheid om daarin te kiezen. Die vrijheid is ook niet eenvoudig te begrijpen en te bereiken. Rudolf Steiner heeft niet voor niets een heel boek daarover geschreven: De filosofie van de vrijheid.

Toch moet de structuur en de cultuur van de Antroposofische Vereniging op die vrijheid gebaseerd zijn, omdat zij anders haar doelstellingen niet kan waarmaken. Een gevolg daarvan is dat de vereniging open moet staan voor iedere mens die in de antroposofie geïnteresseerd is. Dat wil zeggen dat een aspirant-lid zich niet hoeft te binden aan voorwaarden die vanuit de vereniging gesteld zouden kunnen worden. Er bestaan dus geen voorwaarden voor aspirant-leden, behalve dat ze in beginsel innerlijk open moeten staan ten opzichte van wat de vereniging te brengen heeft. En dat ze een bepaalde financiële bijdrage leveren om het voortbestaan van de vereniging mogelijk te maken. Zij mogen lid worden wanneer ze willen en ze mogen zich ook weer afmelden wanneer ze willen. Ze hebben toegang tot alle activiteiten die vanuit de vereniging voor hen worden georganiseerd. Dit zijn de gewone leden.

Het spreekt voor zich dat de vereniging niet alleen uit leden kan bestaan die gebruik maken van de vereniging. Er moeten natuurlijk ook mensen zijn die de dingen organiseren en die verantwoordelijkheden dragen. Het is de bedoeling dat deze mensen vrijwillig verplichtingen op zich nemen. Ook zij mogen niet gedwongen worden om verplichtingen en verantwoordelijkheden te dragen. Vandaar dat Rudolf Steiner deze mensen leden heeft genoemd die actief willen zijn binnen de vereniging. Het is aan elk lid zelf voorbehouden of hij of zij gewoon lid of een actief lid wil zijn. Zodra iemand echter te kennen geeft dat hij of zij actief lid wil zijn, dan ontstaat de innerlijke verplichting om de eigen activiteit af te stemmen op de reeds bestaande activiteiten en verantwoordelijkheden, die door andere actieve leden worden gerealiseerd en gedragen.

De gehele gemeenschap bestaat dus uit die twee soorten leden, gewone en actieve leden. Het praktisch doordenken en doorwerken van deze realiteit is echter niet vanzelfsprekend, omdat we dit onderscheid verder in de maatschappij niet gewend zijn te maken. Bovendien blijven de actieve leden ook gewoon lid, voor zover ze zich niet aan iets hebben verplicht. Gewone leden kunnen onder allerlei omstandigheden de behoefte voelen om actief te worden en staan dan onmiddellijk voor het vraagstuk hoe ze met de bestaande actieve leden in overleg moeten treden om hun activiteiten op het geheel af te kunnen stemmen. Het werken aan oplossingen voor dit soort vraagstukken door structuur te brengen in de vereniging is eigenlijk de taak van het bestuur van de vereniging. Daarbij moeten we het bestuur niet te beperkt denken. Niet alleen de bestuursleden doen aan bestuur, maar alle leden die organiserend en structurerend binnen de vereniging werken.

Zodra we onszelf een praktische voorstelling proberen te vormen van de processen die dan nodig zijn om een redelijk functionerende vereniging te kunnen krijgen, moeten we vaststellen dat dit een heel moeilijke opgave is, zeker wanneer het veel mensen betreft. Het is daarom logisch dat Rudolf Steiner tegelijkertijd heeft aangegeven dat de vereniging opgebouwd zou moeten worden uit groepen die zelfsturend zijn en hun eigen organisatie verzorgen. Hij spreekt in dit verband over groepen op zakelijke grondslag en groepen op plaatselijke grondslag. Oftewel groepen die door een gezamenlijke interesse of gezamenlijk belang in een onderwerp of thema onderling verbinding voelen of groepen mensen die in eenzelfde omgeving wonen.

Nieuwe leden melden zich bij dergelijke groepen en worden ook door de groepen als lid toegelaten. Slechts die aspirant-leden die geen passende groep kunnen vinden, kunnen zich als lid bij de vereniging aanmelden.

Deze gang van zaken verandert onze voorstelling van een vereniging totaal, naar mijn mening. Vrije mensen vormen groepen rond taken of onderwerpen. Zij vormen hun eigen structuur en hun eigen bestuur. Zij hebben een eigen begroting en maken hun eigen plannen. Tezamen vormen ze de vereniging en vanuit de groepen worden mensen afgevaardigd (vrijwillig) om actief bij te dragen aan een groter geheel. In de groepen worden dingen besproken en gedaan die aan de behoefte van gewone leden tegemoet kunnen komen en in het grotere geheel worden dingen besproken en gedaan die aan de behoefte van de groepen tegemoet kunnen komen.

Het bestuur heeft dus geen zeggenschap over de leden en de leden hebben geen zeggenschap over het bestuur. Onderling worden afspraken gemaakt die voor die situatie en voor die groep(en) passend zijn.

Rudolf Steiner heeft de klassen van de Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschap ingesteld voor actieve leden. Daaruit mogen we naar mijn mening niet de conclusie trekken dat alle actieve leden verplicht aan de klassen zouden moeten deelnemen. Ook de conclusie dat alle leden van de klassen actieve leden zouden zijn is naar mijn mening niet juist. De klassen zijn ingericht om de antroposofie dieper in de mensen te laten indalen, op de weg om antroposofie te gaan leven. Dat laatste was de uiteindelijke bedoeling van Rudolf Steiner. Hij heeft verschillende keren geprobeerd om een groep van mensen samen te stellen die antroposofie zouden leven. Hij is daarin echter niet geslaagd.

Tot de Weihnachtstagung heeft hij de antroposofie voornamelijk gebracht in denkbeelden. Steeds opnieuw en vanuit eindeloos veel invalshoeken heeft hij beschreven wat het wil zeggen om algemeen menselijk in de wereld te staan. In de klassen gaat hij niet verder met de beeldvorming, maar vat hij de beelden samen in spreuken die mensen moeten uitspreken, waarbij ze bepaalde gevoelens zouden moeten opwekken. Het gaat dan om het beleven van de antroposofie. De twee nog niet opgerichte klassen zouden voor verdere verdieping moeten zorgen, zodat de antroposofie uiteindelijk geleefd zou kunnen worden.

Daarin kunnen we dan de opgave ontdekken van de actieve leden. Aan hen wordt gevraagd om hun activiteiten binnen de vereniging zo vorm te geven, dat mensen die dat willen en die daaraan toe zijn, ondersteund worden bij het leven van de antroposofie. Rudolf Steiner is er volgens mij van uitgegaan dat dit om te beginnen in het bestuur van de vereniging het geval zou zijn. Zij hebben de inzet, de kennis en de ervaring en het Goetheanum ter beschikking, waarmee het in beginsel mogelijk zou moeten zijn.

We zijn nu ruim honderd jaar later en weten inmiddels dat dit niet gebeurd is. In feite zijn er geen groepen ontstaan waarvan je zou kunnen zeggen dat daar de antroposofie geleefd wordt. Het gaat tegenwoordig om individuele mensen die hun best doen om de antroposofie te leven. Zij ontdekken dat het vrijwel onmogelijk is om dat alleen te doen. Vandaar dat zij op zoek gaan naar medemensen in wie ze dat streven kunnen herkennen, om met hen samen te proberen en verder te ontwikkelen. Zij hopen en verwachten die mensen tegen te komen in de Antroposofische Vereniging, maar daarin worden ze meestal teleurgesteld. Het gaat er naar mijn mening in de huidige tijd om die teleurstellingen te erkennen en te onderzoeken hoe die verminderd kunnen worden. Daarvoor is het noodzakelijk om kennis en vaardigheden op te doen van sociale wetmatigheden. Antroposofie leven wil zeggen dat je in die sociale wetmatigheden de werking leert herkennen van de tegenkrachten en van de Christuskrachten en dat je als actief lid kiest om zoveel als je kunt de Christuskrachten in de vereniging in te zetten. Dat kun je niet verwachten van de gewone leden, dat kan alleen door de actieve leden vrijwillig en bewust gedaan worden.

Vandaar dat het onderscheid tussen gewone leden en actieve leden naar mijn mening uiterst belangrijk is en dat dit de basis moet vormen van de vernieuwing van de Antroposofische Vereniging in deze tijd.