Een aanvullende kijk op orgaandonatie

“Als microbioloog ben ik goed op de hoogte van de natuurwetenschappelijk bewijsbare beschrijving van het sterven. In mijn huidige beroep van geestelijke in de Christengemeenschap (Andrieskerk in Amsterdam) werk ik in een omgeving waar het als vanzelfsprekend wordt beschouwd dat een mens niet op één bepaald ogenblik sterft; de wezenskern van een mens ­– zijn ‘ziel’ – laat het lichaam los in een proces dat enkele dagen in beslag neemt.”

Zo schreef Marianne de Nooij in een opinieartikel op 13 juli in dagblad Trouw, onder de titel ‘Orgaandonatie is een offer dat je in vrijheid moet kunnen brengen’. Dit naar aanleiding van het initiatiefvoorstel van Pia Dijkstra (D66) over het opnemen van een Actief Donorregistratiesysteem dat ter beoordeling bij de Eerste Kamer ligt. In juli werd het besproken door de commissie Volksgezondheid, Welzijn en Sport, die het wetsvoorstel voorbereidt.

Het baarde de geestelijke in de Christengemeenschap zorgen dat de betekenis voor de overledene zelf van het uitnemen van organen in het publieke debat over dit wetsvoorstel nog nauwelijks aan bod is gekomen. Welke consequenties heeft dit uitnemen voor wat er met diegene gebeurt na de dood, die ook als een drempelovergang kan worden beschouwd, en zijn verdere weg? Zij gaf toe dat onderzoek daarnaar geen eenvoudige zaak is, want de gestorvenen zelf kunnen dat niet rapporteren.

Marianne de Nooij beschreef dat zij in de eerste dagen na het heengaan van een overledene opmerkelijke ervaringen heeft opgedaan, in de uiteenlopende situaties waarin zij als geestelijke te maken had met stervenden en gestorvenen. Zij wilde in Trouw aan degenen die belijden dat na de hersendood alles voorbij is en het grote Niets begint, een appèl doen om hun dogma te relativeren en de blik te verruimen.

Deel dit op facebook